|      Polish Art Gallery  POOL120      3014 CG  Rotterdam  Henegouwerlaan 120      tel.0104258200   mob.0630765143                          |
section free main corespondention mail us now |
TEXTEN |
![]() |
De kunstenaar als doelverdediger In een voetbalelftal heeft de doelverdediger een uitzonderingspositie.Hij in het bijzonder verdedigt het doel en mag daarbij de handen gebruiken; hij is er speciaal voor om verlies te voorkomen. In het speelveld zijn de doelen openingen, zij geven toegang tot het domein van verlies en winst. Achter de doelverdediger begint het verlies, terwijl hij het speelveld voor zich beziet, weet hij dat achter de doellijn alles verloren is. De doelverdediger belichaamt dit verlies. De doelverdediger staat aan het begin van het spel; het is zijn taak de bal uit het doel en in het spel te houden. Winst behalen is aan de veldspelers voorbehouden, hij kan hen slechts bedienen. Uiteindelijk draait alles om de bal ; de bal zorgt voor winst en verlies. De doelverdediger kent hem vooral van het verlies, hij houdt hem in de handen, hij betast hem en even is de bal van hem voordat hij hem het veld in jaagt. De kunstenaar als reiziger In het domein van verlies is de reiziger op zoek naar verloren bagage. Hij gaat over paden en volgt sporen met een koffer in de hand. De koffer die hij heeft overgenomen is door allerlei verwarring leeg geraakt, de inhoud ligt her en der verspreid. De reiziger houdt van zijn koffer en is op zoek naar het verloren goed. Hij wil de koffer vullen met al wat nodig is om voort te gaan, want het niets dat hij hoort rammelen is ondragelijk en zorgt voor oponthoud; deze verlichte koffer bezwaart hem, toch zal hij zich verbijten en de last zoeken die hem bevalt en toekomt. Het is niet eenvoudig om verloren bagage te vinden in het domein van verlies. Hier immers, is alles verloren en ook de reiziger moet zich hier verliezen. Hij zal ontsporen, van het pad afwijken en de weg kwijtraken, alleen het verlies kan hem sturen en zo zal hij vinden wat hij zoekt. In het domein van verlies is alles ontregeld: hier verlicht het zware en het lichte dat zo aanlokkelijk leek, bezwaart. Soms komt hij alwetende medereizigers tegen die de paden zeggen te kennen, overal al geweest zijn en alle antwoorden op alle vragen weten. Het zijn padvinders zonder aanleg voor verdwalen, ze lopen met rare ideeen te heulen over het ontginnen en in kaart brengen van het domein van verlies. Alles hier is verloren en ontregeld, wegbewijzering door padvinders aangebracht leidt nergens toe en naar nergens is de reiziger niet op weg.
Soms komt hij vriendelijke medereizigers tegen, ze wisselen enkele woorden, bewonderen elkaars koffer en prijzen elkaars pad. Ze lopen een eindje met elkaar op en gaan elk huns weegs.
De kunstenaar in netwerken verstrikt De netwerker volgt de paden van een fijn en wijd vertakt netwerk. Het netwerk is te vergelijken met het stratenplan van een onzichtbare stad. Op de paden is alles in beweging en overal heerst drukte; op kruispunten zijn opstoppingen en op pleinen samenscholingen. Alles draait om de dynamiek, alles moet in beroering blijven. Ingewijden flaneren op de brede boulevards en nemen soepel de laatste nieuwtjes door. Het net trilt en gonst van tevredenheid. De ware netwerker vindt hier wat hij zoekt. Ieder netwerk heeft een bron waaraan netwerkers zich laven. Het met elkaar delen is een beginsel maar dit gebeurt niet zonder winstoogmerk, met wat netwerken, het onderhouden van verantwoorde connecties kom je dicht bij de bron waar het optimaal toeven is. Ieder netwerk kent een onzichtbare hierarchische structuur die door iedereen stilzwijgend erkend wordt. De macht heeft hier een anoniem karakter en verschuilt zich achter gelijkheidsbeginsels en doet alsof ieder alles zelf in handen heeft. Een netwerk is een nieuwe en onzichtbare versie van de oude klassenmaatschappij. Posities worden hier niet afgedwongen of verworven maar toegeschoven. In dit stilzwijgend systeem concurreren netwerkers om een plaats dichtbij de bron en danken deze plaats aan hun connecties. Hoe beter deze zijn, hoe beter de positie in het netwerk. Netwerkers zijn afhankelijk van elkaar en zullen er alles aan doen om de zaken bijeen te houden. Het netwerk sluit zich wanneer ongewenste zaken van buiten zich opdringen. Grote netwerken kunnen het bestaan van dit buitengebied zelfs geheel ontkennen, in een allesomvattend systeem is voor onbekend terrein geen plaats. In feite hebben netwerkers niets anders met elkaar gemeen dan dat ze hun parasitaire vermogens hebben gebundeld in een netwerk dat zij onderhouden uit eigenbelang.Een netwerk houdt op te bestaan wanneer de bron opdroogt of afvalligen zich uit de ketens losrukken en zo de samenhang opheffen; als te veel schakels ontbreken stagneert het netwerk. Bijzonder zijn netwerken waarvan de bron onuitputtelijk is omdat hij kunstmatig gevoed wordt. De voortdurende toevoer maakt het netwerk onsterfelijk. Zo'n netwerk vult en voedt de levens van zijn netwerkers, hun levensverwachting en levensvervulling komen samen te vallen en lethargie is het gevolg. Een netwerk aan het infuus is een ziek netwerk en sluit zich af van de buitenwereld. Een netwerk beschermt de bron die doet leven. Het doel en de bron van het netwerk vallen samen. Dit netwerk raakt in zichzelf gekeerd en wordt een gesloten circuit. Bewegingen worden sleur, de taal wordt hol en alles raakt afgestompt. Deze netwerken zijn in wezen introvert. De bekende weg is altijd aan slijtage onderhevig en door het dwangmatig op en neer gaan van netwerk-zombies slijten de paden uit en worden hol. Langzaam begint het netwerk weg te zakken en er onstaat een gangenstelsel van holle wegen. Het zijn ingesleten gewoontes die de gang van zaken in dit netwerk bepalen. De paden zijn het bekende terrein en de enige houvast en iedere netwerker wurmt zich angstvallig door de nauw geworden benauwde sleuven. Inmiddels torent daarboven huizenhoog het onbekende terrein. De netwerker die zich opgesloten voelt en zich verzet, wil van de paden af en beklimt de berm. Hij zoekt het hoger op waar hij verse lucht kan inademen en zie, hoog boven de paden staat hij stil en verheft zich: hij heeft overzicht. Onder hem ziet hij het gangenstelsel waaruit hij zich zojuist omhoog heeft weten te worstelen. Daar beneden, in de ingesleten sleuven ziet hij netwerkers als mieren in de weer, er stijgt een bedompte lucht naar boven. Netwerkers die hem in de gaten krijgen, verwijten hem hoogmoed en zeggen hem naar beneden te komen. In dat onbekende terrein daar boven zou hij niets te zoeken hebben. Hij weet beter, hij kan hier goed ademen. Hij roept hen naar boven, maar zij blijven liever op bekend terrein daar beneden want hun bron is hun houvast en levensvervullend. Zij beschuldigen hem zelfs, beledigen en verketteren hem als afvallige. Hij is niet de enige, er zijn er die hem voorgingen en steeds meer deserteurs ziet hij omhoog klauteren. Er is haast bij want de sleuven worden diep en glibberig, de weg naar boven wordt alsmaar moeilijker. De achtergebleven netwerkers raken in paniek want de groep valt uiteen, terwijl bij elkaar blijven essentieel is; er wordt angstvallig op elkaar gelet. Ontsnappingspogingen worden verijdeld en routes onbegaanbaar gemaakt. Het netwerk krimpt ineen om het onbekende van zich af te houden en graaft zich dieper in. Toch klimmen steeds meer afvalligen vrijwillig uit de paden omhoog. Meer en meer hoofdjes zijn boven zichtbaar, waar het uitzicht ver is en iedereen zwaait naar elkaar. Ze zitten boven en hun stilstand is hun tegenstand, want wat anders kun je doen tegen een dynamiek die alle bewegingen opslurpt. Beneden is angstzweet te ruiken, de paden zijn nog maar moeilijk te onderscheiden; alles is verworden tot een grote, glibberige slangenkuil. Het netwerk, niet meer dan een enkele hoofdader met wat zijsprieten, ligt ineengekronkeld als een slang die zijn levensvervullende bron in een wurggreep houdt.
De bekende wereld is een verlichte wereld en in een verlichte wereld is geen plaats voor duisternis. Vooruitgangsdrift drijft de verlichting voort terwijl het duister van de onbekende wereld terugdeinst voor het stralende licht. Teruggekropen in een donker hol maakt de duisternis zich klein en houdt zich stil. Hoe feller het licht hoe ondraaglijker het duister. Het samengeperste donker verdicht en wordt zwaarder. Concentraties van duisternis worden peilloos diep en zwart. Er ontstaan zwaartepunten van opeengehoopte duisternis die niet meer luisteren naar de wetten van het licht en al het licht opzuigen en mee de diepte insleuren. Zo op het oog lijkt alles evenwel verlicht.Waar verschanst de duisternis zich dan? Waar anders dan in uzelf! Achter uw oog, dat alleen het verlichte ziet, heeft het dichte duister zich genesteld. Daar is het onzichtbaar buiten het bereik van uw blikveld. De duisternis waar het licht geen vat op heeft, ontsnapt aan het oog door zich erachter te verschuilen. Het donker dat u zo zwaar belast, is bij u binnengedrongen toen u alles zo nodig moest verlichten. Wanneer uw last u zwaar valt en u uzelf wilt verlichten, waar kunt u dan nog heen met al uw zwart dat het daglicht niet kan verdragen? Uw duisternis is zwaar en afschuwelijk. Uw last is uw geheim en wanneer u de deksel wilt oplichten om donker uit te stralen zullen alle ogen u afschuwelijk vinden en wee uw gebeente mochten zij iets zien. Afstand doen van duisternis bestaat niet wanneer het donker niet bestaan mag. Iedere poging is dan ook een kwelling, een aanslag op uw geweten en een smet op uw schone schijn. Denk ook niet dat alsmaar meer licht deze duisternis kan verlichten, het zal haar slechts dieper maken en versterken tot uw hart ervan scheurt. Verschrikkelijk is het een last te moeten torsen op een verlichte weg die u geen zicht geeft op uw duister. Op deze weg kunt u uzelf slechts verblinden, u bent immers op weg naar het licht. Tenslotte valt er in al dat oogverblindend licht niets te onderscheiden. Dit intense licht werpt slechts zwarte sluiers over uw schaduwzijde en het donker zal alleen maar nog zwarter in u branden. Beter kunt u het verlichte pad verlaten, de ogen sluiten om ze te laten wennen aan het donker. Zo, nu kunt u uw duister waarnemen, de contouren worden langzaam duidelijk. Aan uw schaduwzijde is het koel, in dit donker kan het onbekende lichter ademen. Harmen Verbrugge, september 1999
|
|
return |